In dit interview op de Klimaattop GO delen Achmea en VBI hoe vraagsturing CO₂-reductie in de bouw versnelt.
De ambities zijn groot. Institutionele beleggers formuleren steeds scherpere CO₂-doelstellingen. Producenten investeren al jaren in duurzamere materialen en innovatieve bouwsystemen. En toch blijft de grootschalige toepassing achter. Niet omdat de techniek ontbreekt of omdat duurzaam bouwen per definitie duurder is, maar omdat de vraag in het systeem nog onvoldoende wordt georganiseerd.
Die paradox wordt zichtbaar in het gesprek tussen Achmea Real Estate en VBI. Twee partijen aan verschillende kanten van de keten, met een gedeelde ambitie: de materiaalgebonden CO₂-uitstoot (embodied carbon) radicaal terugdringen. Hun ontmoeting laat zien waar het schuurt, waar het al werkt en wat nodig is om van intentie naar standaardpraktijk te komen.
Het gesprek raakt aan een ongemakkelijke waarheid: CO₂- reductie is vaak geen technologisch probleem, maar een systeemprobleem. Er zijn oplossingen. Maar zolang ze niet worden uitgevraagd, aangeboden en geborgd, blijven ze in pilots hangen of verdwijnen ze in de ruis van het ‘zo doen we dat nu eenmaal’.
De lat omhoog, omdat de overheid het niet doet
Jolien de Jongh werkte jarenlang als assetmanager, maar vervult sinds 2023 een nieuwe rol: ESG-manager bij Achmea Real Estate. Ze houdt zich bezig met reporting en kaders (zoals SFDR, CSRD en EU Taxonomy) én met de beweging die daarachter schuilgaat: het bedrijf in gelid krijgen om niet alleen op energie in de gebruiksfase te sturen, maar ook op embodied carbon, duurzame materialen en biodiversiteit.
Die verbreding is niet vrijblijvend. Voor pensioenfondsbeleggers telt zowel financieel rendement als maatschappelijk rendement en juist die combinatie schuurt soms in de praktijk. Jolien noemt een pilot met hennepisolatie: enthousiast gestart, met boeren aan tafel en concrete toepassing in projecten. Maar voor een groot plan bleek het (nu nog) te duur in verhouding tot de CO₂-winst. De keuze werd: eerst A-labels realiseren, later kijken of het alsnog kan. “Dat is een tegenvaller,” zegt ze, “maar het laat ook zien: je balanceert voortdurend tussen ambitie en uitvoerbaarheid.”
Tegelijkertijd groeit de urgentie. Achmea Real Estate startte met veertien andere pensioenfondsbeleggers een hard CO₂-afbouwpad voor nieuwbouw. Niet als vrijblijvende inspanning, maar als resultaatverplichting: boven bepaalde waarden wordt in principe niet meer aangekocht. “We dachten: dit moet de overheid regelen,” zegt Jolien. “Maar die doet dat niet, dus doen wij het zelf. Het is een noodgreep, met als doel dat het straks niet meer nodig is.”
De scherpte is bewust. “Als je ruimte laat voor uitzonderingen, wordt de uitzondering al snel de norm.” Daarom start het afbouwpad relatief hoog: om massa mee te krijgen, en om te voorkomen dat het meteen verwatert tot ‘ja, maar dit project dan…’. Het doel is juist: duurzaam bouwen wordt standaard, en de aparte ‘drukmiddel-constructie ’ kan verdwijnen.
“Onbegrijpelijk: soms is het tapijt dat erop ligt duurder dan de vloer.”
“Wij kunnen het nu al, maar de vraag is er niet”
Aan de productiekant vertelt VBI een ander, even urgent verhaal. Het bedrijf is marktleider in kanaalplaatvloeren en werkt al jaren aan een routekaart richting net zero en circulair in 2050, met een ambitie die nadrukkelijk verder kijkt dan het reduceren van restemissies alleen.
De kern van hun benadering laat zich samenvatten als: less is more. Niet alleen het materiaal verduurzamen, maar eerst het materiaalgebruik terugdringen. Thies van der Wal (bij VBI aanjager) maakt het bijna beeldend: kijk naar het menselijk lichaam. Botten zijn hol; waren ze massief, dan konden we niet lopen. Toch bouwen we in beton nog vaak massief, terwijl holle constructies al decennialang efficiënt zijn.
Innovatiedirecteur en duurzaamheidsdirecteur Wim Jansze van VBI vat het technisch én strategisch samen: “De vloer is bepalender dan veel mensen denken. In een gebouw zit een groot deel van het materiaal in de vloer. Als je die lichter en slimmer maakt, werkt dat door in de hele constructie, inclusief fundering.”
De reden dat de vloer zo bepalend is, zit niet in complexiteit maar in logica. In een gebouw is de vloer het meest materiaalintensieve onderdeel: je kunt een kolom slanker maken, maar een vloer moet overal draagkracht bieden, je kunt er niet ‘langs ’. Daardoor zit naar schatting ongeveer 80 procent van het materiaalgebruik in de vloeren
Die keuze werkt verder door dan vaak wordt beseft. Onder elk gebouw zit ruwweg net zoveel beton onder de grond als erboven, in funderingen en palen. Wie de vloer lichter maakt, reduceert dus niet alleen materiaal in de vloer zelf, maar ook in de fundering. Juist daar zit een grote, vaak onderschatte hefboom voor CO₂-reductie.
Daarbij benadrukt VBI dat CO₂-neutraal of zelfs CO₂-negatief bouwen nooit het resultaat is van één materiaal alleen. “Materialen hebben elkaar nodig, ” stelt Wim. De routekaart van VBI vertrekt daarom vanuit hybride vloeroplossingen: een geobased kanaalplaat als langcyclische dragerstructuur, gecombineerd met een verende biobased dekvloer als relatief kortcyclisch onderdeel. Juist die combinatie maakt het mogelijk om klimaatimpact te reduceren zonder in te leveren op betaalbaarheid, beschikbaarheid, veiligheid of schaalbaarheid. Geobased waar het lang meegaat, biobased waar het kan meebewegen.
Binnen die hybride aanpak combineert VBI holle systemen met nieuwe bindmiddelen, waaronder geopolymeerbeton. Die innovatie blijft niet op de tekentafel: ze wordt inmiddels toegepast in pilots en concrete projecten. Ook in samenwerking met partners wordt geëxperimenteerd met hergebruikte elementen. “Niet alleen praten, maar doen, ” zegt Wim.
Maar het gaat hier nog om koplopers en pilots, niet om de regel. Dan valt een zin die het probleem scherp blootlegt: “De vraag is vrijwel nul.”
Dan valt een zin die het probleem scherp blootlegt: “De vraag is vrijwel nul.” VBI ziet nauwelijks uitvragen waarin CO₂ expliciet meeweegt, tenzij het heel concreet in een order staat. Terwijl de meerkosten volgens hen beperkt zijn (“een paar euro per meter”) en de voordelen groot: lagere footprint, en soms ook voordelen op geluid, brand en vocht. “Het is mij niet te begrijpen,” zegt Thies. “Soms is het tapijt dat erop ligt duurder dan de vloer.”
De bottleneck zit niet in beton
Waarom landt iets dat technisch kan, betaalbaar is én aantoonbaar bijdraagt aan de klimaatdoelen, niet vanzelf? Het antwoord van alle drie: omdat de bouwketen versnipperd is en de besluitvorming zelden op de plek terechtkomt waar die het meeste effect heeft. Jolien schetst het als een doolhof. Beleggers zijn eindafnemer: ze schrijven geen materialen voor en kopen niet zelf in. Tussen Achmea en VBI zitten projectontwikkelaars, ontwikkelende bouwers, aannemers, adviseurs en in grote organisaties daarbovenop nog interne schotten tussen “duurzaamheid” en “het lokale projectteam”. “Ik ben afhankelijk van wat er aangeboden wordt,” zegt ze. “En je mag niemand overslaan. Als ik direct met een bouwer praat, ontstaat er frictie omdat ik een schakel passeer”.
Sturen op doelen, niet op materiaaleisen
De hoofdvraag van dit artikel raakt hieraan: is het realistisch of wenselijk om te zeggen: we kiezen voortaan alleen nog de duurzaamste kanaalplaatvloer? Jolien is duidelijk: “Ik kan geen materialenlijst voorschrijven. Die is nooit compleet en veroudert meteen.” Bovendien creëert zo’n lijst afvinkgedrag: wat niet op de lijst staat, krijgt geen kans, óók niet als het beter is. Wat wél werkt: sturen op doelen en prestaties. Niet beton versus hout, maar: wat is de CO₂-impact, wat is de materiaal-efficiëntie, wat is het circulaire potentieel? Jolien vat het samen in drie routes: biobased, circulair en minder materiaal (inclusief het verduurzamen van traditionele materialen). VBI sluit daarop aan: “Het gaat niet om materialisering, het gaat om doelen.” Het goede materiaal op de goede plek: zo zuinig mogelijk, zo creatief mogelijk. Dat vraagt volwassen opdrachtgeverschap én een keten die meebeweegt.
Opschalen vraagt vertrouwen
In het gesprek komt ook een nuchter punt naar voren: zelfs als het product er is, wil je niet meteen in de lastigste toepassing starten. Hoogbouw vraagt extra zekerheid op bijvoorbeeld brand en stabiliteit, en kanaalplaten in hoogbouw zijn in Nederland minder gebruikelijk. VBI geeft aan: eerst vertrouwen opbouwen in grondgebonden woningbouw en middelhoge bouw, dan opschalen.
Tegelijkertijd klinkt er urgentie: “We kunnen sneller innoveren dan de marktvraag komt.” VBI schetst een route van pilots naar hogere volwassenheid, waarna ook hoogbouwtoepassingen dichterbij komen, mits de vraag aantrekt.
Dat mechanisme is precies waarom duurzame oplossingen niet opschalen: niemand voelt zich eigenaar van de vraag. Ontwikkelaars vragen het niet uit, aannemers bieden het niet proactief aan, en opdrachtgevers krijgen het niet op tafel. En als er al een prestatie-eis is, kiezen partijen vaak het minimum: haal de eis zo goedkoop mogelijk, en de marge blijft elders in de keten hangen. Jolien schetst het scherp met een voorbeeld: “Stel dat wij 30 procent circulariteit eisen. Als een partij die eis voor 60 euro kan halen, terwijl 40 procent voor 90 euro mogelijk is, dan kiezen ze die 30 procent. Die extra ambitie wordt ons niet voorgelegd, terwijl wij mogelijk best bereid zijn om daar iets extra’s voor te betalen.”
Daarbovenop komen normen en certificering. Bij VBI botst de innovatie met Europese productnormen: in de norm voor kanaalplaten staat expliciet dat er cement in moet zitten, terwijl het nieuwe product juist cementloos is. In de praktijk is de veiligheid van deze producten aantoonbaar geborgd en getoetst, onder meer via routes zoals het Beton Innovatie Loket. Structurele certificering stuit echter op regelgeving. Daarmee wordt het borgen van veiligheid en zekerheid, terecht een kernwaarde in de bouw, óók een rem op versnelling.
“De vloer is bepalender dan veel mensen denken.”
Naar een nieuw normaal: de keten moet elkaar ontmoeten
Als er één rode draad door het gesprek loopt, is het deze: de werelden moeten elkaar vaker ontmoeten. Beleggers die aan de achterkant sturen op CO₂, producenten die aan de voorkant oplossingen hebben, en ertussen een keten die nog te vaak op automatische piloot draait.
Wat het gesprek vooral laat zien, is dat de werelden elkaar nog onvoldoende ontmoeten. Beleggers die aan de achterkant sturen op CO₂, producenten die aan de voorkant oplossingen hebben, en daartussen een keten die nog te vaak op automatische piloot draait. Die ontmoeting is niet eenvoudig. Implementatie is complex, rapportagekaders groeien, projectteams verschillen, normen lopen achter en belangen botsen. En tóch is er ook iets hoopvols: er is beweging, er zijn pilots, en de bereidheid groeit om van ‘optioneel’ naar ‘uitgangspunt’ te gaan. Jolien verwoordt haar ideaal voor over vijf jaar: dat het afbouwpad niet meer nodig is. Dat duurzaam bouwen vanzelfsprekend is, niet omdat het “moet van Achmea” , maar omdat het de norm is geworden. En VBI? Die formuleert het even simpel als veelzeggend: “Wij worden pas echt blij als wat we kunnen ook gevraagd wordt.”
Verder in gesprek?
VBI is voortdurend in gesprek over de thema’s van nu. Meepraten over CO₂-reductie? Bel dan met Thies van der Wal +31 (0)26 379 79 79
+31 (0)26 379 79 79
Bel voor een afspraak
4 tot 6 keer per jaar Nieuws over VBI In je mailbox?
Meld je aan voor onze nieuwsbrief en ontvang de laatste updates en productontwikkelingen.


